Methodologie

Deze databank biedt een overzicht van de Belgische regeringen en hun samenstelling sinds 1831.

Van de Belgische regeringen bestaan er verschillende overzichten, sommige in gedrukte, andere in digitale vorm. Vaak geraadpleegd is de bijlage in Th. Luykx & M. Platel, Politieke geschiedenis van België van 1789 tot 1985 (Antwerpen: Kluwer, 1985). Verder zijn te vermelden:

  • het overzicht Gouvernements fédéraux depuis 1944 op de website van CRISP;
  • de publicatie “Nationale regeringssamenstellingen sedert 1944”, gerealiseerd in 1994 door het Steunpunt Socio-Politiek Systeem o.l.v. Helmut Gaus;
  • de Gids der Ministeries (met sinds kort een digitale versie).

Al deze overzichten hebben hun beperkingen. Zij bestrijken slechts een bepaalde periode uit onze politieke geschiedenis en/of zij hebben geen digitale toepassing. Een enkele keer bevatten zij ook manifeste fouten.

Deze databank wil een volledig en correct overzicht geven, dat tegelijk handig en gebruiksvriendelijk is.

Regeringen

Er bestaat geen officiële lijst van de Belgische regeringen. De lijsten in de literatuur vertonen onderling belangrijke verschillen. Met uitzondering van C.H. Höjer (zie verder) vermelden zij niet de criteria waarop het onderscheid tussen opeenvolgende regeringen is gebaseerd.

Tot ver in de negentiende eeuw werden ministers beschouwd als ministers van de koning, die het hoofd van de uitvoerende macht was en volgens de grondwet nog steeds is. Ministers werden in theorie individueel door hem aangesteld. In de praktijk werden de ministers vanaf het begin als groep aangesteld, op voorstel van een formateur die in de regel als regeringsleider optrad. Het administratieve karakter van de regering maakte geleidelijk plaats voor een meer uitgesproken politiek karakter, waardoor de zelfstandigheid van het kabinet ten opzichte van de soeverein toenam. De “regering van Leopold I” werd in feite een opeenvolging van “regeringen” waar één minister de leiding van had. De aanstelling van een eerste minister (of premier) vanaf 1918, was een bevestiging van die toestand. Tot aan de Tweede Wereldoorlog sprak men van ministerraad wanneer de koning de vergadering van de ministers voorzat, en van kabinetsraad wanneer hij dat niet deed. In 1970 werden de ministerraad en de eerste minister in de grondwet opgenomen.

Zowel voor de periode vóór als voor die na 1918 is het niet altijd eenvoudig te bepalen wanneer een regering als “nieuw” kan worden bestempeld. Een uniek – en dus eenduidig – criterium, het weze juridisch of politiek, is er niet. Wij hebben na grondige afweging drie criteria geselecteerd, aan ten minste één waarvan voldaan moet zijn om van een nieuwe regering te kunnen spreken. We spreken derhalve van een nieuwe regering in (ten minste één van) de volgende omstandigheden:

1. De koning stelt een formateur aan en benoemt op diens voorstel een nieuwe regering. Cruciaal in dit criterium is dus de aanstelling van een formateur, die zijn opdracht tot een goed einde brengt. De samenstelling van het kabinet als zodanig heeft geen belang. Het kan gaan om de vorming van een geheel nieuwe regering, met een andere premier, (deels) andere partijen en bijgevolg (deels) andere ministers. Het kan dus ook gaan om de reconductie van het aftredende kabinet, met dezelfde premier, ministers en partijen (de overgang van Theunis I naar II, Jaspar II naar III, Martens VI naar VII). Doorgaans wordt echter minstens een deel van de ministers uit de vorige regering vervangen.

De koning benoemt een formateur in de regel na het collectieve ontslag van de regering. Dit ontslag kan het gevolg zijn van een stemming in het parlement, van onenigheid in de schoot van de regeringsploeg of het gevolg van de verkiezingen. Bij dit criterium is aan te merken dat vóór de Eerste Wereldoorlog (in de regel homogene) regeringen na verkiezingen aanbleven wanneer de regeringspartij haar meerderheid behield. Regeringen konden op die manier een aanzienlijk lange levensduur bereiken (bijvoorbeeld de Theux I, Rogier II, de Theux-Malou, Beernaert, de Smet de Naeyer II). Sinds de Eerste Wereldoorlog nemen (in de regel coalitie-) regeringen systematisch ontslag na parlementsverkiezingen (met als enige uitzondering Jaspar II in 1929).

2. De regeringsleider resp. de eerste minister wordt vervangen zonder dat er een formateur is aangesteld of de zittende regering ontslag heeft genomen en zonder aan de verdere samenstelling van de regering iets te wijzigen. Het tot nog toe enige geval is de regering-de Smet de Naeyer I, wanneer de Paul Smet de Naeyer in 1896 regeringsleider werd in plaats van Jules de Burlet.

3. De politieke samenstelling van de regeringscoalitie wijzigt zonder dat het zittende kabinet collectief ontslag heeft genomen of de regeringsleider resp. de eerste minister wordt vervangen. Cruciaal in dit criterium zijn dus de partijen die de regering steunen en de ministers “leveren”. Het kan gaan om de vermindering van het aantal partijen (bijvoorbeeld het einde van Pierlot VI door het vertrek van de communisten in 1944, het einde van Tindemans II door het ontslag van de RW-ministers in 1977) of de toename van ervan (bijvoorbeeld het begin van de Broqueville II door de toetreding van de socialisten en de liberalen in 1916, het begin van Pierlot III door de toetreding van de socialisten in 1939, het begin van Tindemans II door de toetreding van het RW in 1974).

Een al dan niet omvangrijke herschikking van het kabinet zonder formatieopdracht en zonder wijziging van de regeringsleider resp. eerste minister of de coalitieformule beschouwen we niet als een nieuwe regering. Voorbeelden hiervan zijn de herschikking van de regering-Spaak in 1939, de regering-Eyskens in 1960 en de regering-Leburton in 1973, en de herschikkingen die het gevolg zijn van de staatshervorming of van deelstaatverkiezingen.

Inzake naamgeving is er geen vaste regel. Sommige regeringen werden door de tijdgenoten of worden in de literatuur bedacht met een dubbele naam: de regeringsleider of de eerste minister plus een ander belangrijk regeringslid. In de negentiende eeuw kon het gaan om een regering waarvan de formateur niet de feitelijke regeringsleider werd (Goblet-Lebeau, de Mûelenaere-Nothomb, Nothomb-d’Anethan en de Theux-Malou). Sinds 1918 gaat het doorgaans om de vertegenwoordiger in de regering van de tweede coalitiepartij: bijvoorbeeld Poullet-Vandervelde (1925), Spaak-Eyskens (1947), Lefèvre-Spaak (1961), Vanden Boeynants-De Clercq (1966), Martens-Gol (1981).

In de jaren 1980 ontstond in de media de praktijk om de snel opeenvolgende regeringen geleid door Wilfried Martens van elkaar te onderscheiden door het gebruik van een Romeins volgnummer (Martens I, II, III enz.). Voordien was dat niet gebruikelijk: men sprak van de regering-de Broqueville, -Theunis, -Renkin, -Jaspar, -Tindemans zonder meer, ongeacht hun gewijzigde samenstelling. Carl-Henrik Höjer, Le régime parlementaire belge de 1918 à 1940 (Uppsala, 1946) was de eerste wetenschappelijke auteur om een Romeinse nummering te gebruiken voor de tussenoorlogse regeringen. Bernard Waleffe, “Le Roi nomme et révoque ses ministres”. La formation et la démission des gouvernements en Belgique depuis 1944 (Brussel 1971) deed hetzelfde voor de naoorlogse.

Wij hebben ervoor gekozen om (1) de regeringen te onderscheiden op basis van de drie opgegeven criteria, (2) de regeringen voor 1918 te benoemen naar de formateur-regeringsleider (tenzij de feitelijke regeringsleider niet de formateur is, dan gebruiken we een dubbele naam) en de regeringen na 1918 naar de eerste minister, en (3) de regeringen geleid door dezelfde persoon te voorzien van een Romeins volgnummer.

Op grond van de aangegeven criteria doen er zich drie merkwaardige situaties voor:

  1. In oktober 1921 werd de regering van nationale unie, geleid door Henry Carton de Wiart, geconfronteerd met het ontslag van de vier socialistische ministers. De regering werkte verder met de volheid van bevoegdheden (er werd zelfs één nieuwe minister aangesteld) tot aan de verkiezingen van 20 november 1921. Men kan in dit geval moeilijk van een nieuwe regering spreken, ook al was de politieke samenstelling veranderd, veeleer van een regering die desintegreert in het vooruitzicht van de nakende verkiezingen.
  2. Een zelfde situatie deed zich voor op het einde van regering-Verhofstadt I in mei 2003, toen, eveneens met verkiezingen en dus het nakende einde van de regering in het vooruitzicht, de twee regeringsleden van Ecolo ontslag namen. Ook hier spreken we niet van een nieuwe regering.
  3. De regering op stapel gezet door Hubert Pierlot op 16 april 1939 is een curiosum. Na de verkiezingen van 2 april werkte Pierlot als formateur aan de vorming van een regering van nationale unie. Op 16 april werd de aftredende katholiek-socialistische coalitie uitgebreid met de liberalen. Op 17 april besliste de BWP echter niet mee te doen en namen haar ministers ontslag en de dag erop werden ze vervangen door katholieken en liberalen. Twee dagen lang bestond er dus virtueel een drieledige regering. Deze kortstondige combinatie beschouwen wij als een onderdeel van een moeilijke regeringsformatie, niet als een nieuwe regering.

Elke regering in de databank draagt een volgnummer. De nummering begint met de eerste regering van de regent, de eerste die krachtens de grondwet van 7 februari 1831 tot stand kwam.

De bevoegdheden

Met uitzondering van de periode van de Tweede Wereldoorlog bestond de regering tot 1960 enkel uit ministers. In dat jaar werden voor het eerst ook “ministers-onderstaatssecretarissen” benoemd. Het was de bedoeling een hiërarchie aan te brengen in de regeringsploeg die met de tijd almaar groter was geworden. De term “sous-secrétaire-d’Etat” was afkomstig uit de Franse Derde Republiek. De figuur kwam echter niet voor in de grondwet, die enkel ministers kende; dat verklaart de vreemde titel minister-onderstaatssecretaris. In 1970 kreeg de hiërarchie in de regering een grondwettelijke verankering. De grondwetsherziening van dat jaar introduceerde de figuur van “staatssecretaris”. Staatssecretarissen zijn lid van de regering en toegevoegd aan een minister, maar maken geen deel uit van de ministerraad (in 1970 eveneens voor het eerst uitdrukkelijk vermeld in de grondwet). Staatssecretarissen leggen net als ministers de eed af in handen van de Koning. Dit onderscheidt hen van de eventuele regeringscommissarissen of Koninklijke commissarissen, die geen deel uitmaken van de regering. Eyskens (Gaston) V was de eerste regering met staatssecretarissen.

Het aantal ministers en staatssecretarissen is door de groeiende regeringsactiviteit blijven toenemen tot in 1995. De eerste regering van de regent (1831) telde vijf ministers. Martens VIII (1988-1991) telde 20 ministers en 14 staatssecretarissen. In 1995 kwam er een grondwettelijke beperking van het aantal federale ministers (maximaal vijftien), maar niet van de staatssecretarissen.

Leden van de regering worden in de regel belast met een departement of een portefeuille. Uitzonderlijk worden ministers benoemd zonder een specifieke bevoegdheid. Tot aan de Tweede Wereldoorlog krijgen zij de titel “lid van de ministerraad”, nadien worden ze “minister zonder portefeuille” genoemd.

De titel van ministers en staatssecretarissen in deze databank steunt op de vermelding in het benoemingsbesluit. Daarbij duiken kleine en grote problemen op. De naam van bepaalde departementen kan variëren doorheen de tijd. In enkele gevallen hebben wij daar geen rekening mee gehouden. Zo hanteren wij voor de periode 1907 tot 1932 uitsluitend de benaming “Wetenschappen en Kunsten”, hoewel de naam van 1927 tot 1932 in het Nederlands (maar niet in het Frans) plots veranderde in “Kunsten en Wetenschappen”. Wij hielden evenmin rekening met de weinig consequente spelling van “Telefonen”, “Telefonies” enz. Na de Eerste Wereldoorlog neemt niet alleen het aantal departementen toe, maar gebeurt het meer en meer dat regeringsleden twee of meer departementen beheren. Die meervoudige opdracht kan worden weergegeven door twee of meer titels (b.v. Eerste Minister en Minister van Financiën), maar ook door een ad hoc titel waarin de combinatie wordt uitgedrukt (b.v. Minister van Justitie en Franse Cultuur). Wij hebben ons gehouden aan de titel zoals vermeld in het benoemingsbesluit. Om de continuïteit van regeringsfuncties met wisselende titels te kunnen volgen, hebben we 23 overkoepelende bevoegdheidsdomeinen gecreëerd. Zo vindt men onder het trefwoord “Onderwijs” zowel “Openbaar Onderwijs”, “Wetenschappen en Kunsten” als “Nationale Opvoeding”.

De koninklijke besluiten zijn niet altijd zorgvuldig opgesteld. Zo is de titel van minister Robert Urbain bij zijn ontslag in 1995 niet dezelfde als deze bij zijn benoeming in 1992. Wellicht een slordigheid bij het opstellen van het ontslagbesluit. Soms bevatten de besluiten retroactieve bepalingen. In de regering-Martens I werden de titels van alle staatssecretarissen een week na hun aanstelling retroactief gewijzigd. Hetzelfde geldt voor de naam “Vervoer”, die vrijwel onmiddellijk wordt gewijzigd in “Verkeerswezen” (1929) en voor de titel van Roger Delizée (1988), die waarschijnlijk de foutieve kopie was van een oudere, maar achterhaalde titel. Ook de titel voor Milquet “gelijke kansen” in december 2011 is retroactief toegekend. In die vier gevallen hebben wij enkel de gecorrigeerde titel opgenomen.

De regeringsleden

Voor de volledige officiële naam van de regeringsleden geeft het koninklijk besluit van aanstelling niet altijd uitsluitsel. Het gebeurt dat voornamen niet worden vermeld, vooral bij adellijke personen. Tot 1894 werden koninklijke besluiten uitsluitend in het Frans opgesteld, sindsdien ook in het Nederlands. Voornamen werden tot aan de Tweede Wereldoorlog dikwijls voluit geschreven, maar kregen een Franse of een Nederlandse versie zonder veel rechtlijnigheid (Henri-Hendrik, Charles-Karel enz.). Na de Tweede Wereldoorlog vermeldden de besluiten in de regel alleen nog de voorletters van de voornaam. In deze databank gebruiken wij de voornaam, zoals bekend uit de werken over de Kamer en de Senaat (zie verder). In geval de persoon bekend is onder een andere roepnaam wordt die tussen haakjes vermeld: bijvoorbeeld Vos Armandus (Herman). We houden geen rekening met latere naamswijzigingen, bijvoorbeeld als gevolg van de toekenning van een adellijke titel. Bij vrouwelijke ministers hanteren we de meisjesnaam of de naam van de echtgenoot, volgens het gebruik van de betrokkene.

De politieke partijen

Sinds 1857 zijn alle regeringen “partijregeringen”, dat wil zeggen regeringen met een politiek programma die steunen op een politieke meerderheid in de Kamers en uitsluitend of grotendeels zijn samengesteld uit parlementsleden. Tot aan de Eerste Wereldoorlog zijn dat “homogene” kabinetten, liberaal of katholiek; nadien gaat het in de regel om coalities van twee of meer partijen. Een “zakenkabinet” dat bestaat uit experts behoort niet tot de politieke cultuur, hoewel er af en toe pogingen in die richting zijn ondernomen en sommige regeringen als “cabinet d’affaires” worden bestempeld (bijvoorbeeld Theunis I). Sinds 1831 worden ministers in de regel gerekruteerd uit de leden van Kamer of Senaat. Slechts uitzonderlijk worden ministers zonder parlementair mandaat aangesteld, hoewel die praktijk in het interbellum sterk toenam. Tot 1995 bleven ministers hun parlementair mandaat behouden (tussen 1831 en 1894 mits een herverkiezing), sindsdien zijn ze wettelijk verplicht zich als parlementslid te laten vervangen.

Voor de vermelding van een politieke partij bij een lid van de regering hanteren we de volgende regels. Vóór 1995 krijgen de ministers met een parlementair mandaat het partijlabel waaronder ze verkozen zijn. De ministers zonder parlementair mandaat bij de start van de regering krijgen het label “extraparlementair”. Deze laatsten hadden soms een politieke kleur, maar soms ook niet; daarom onthouden we ons consequent van enig politiek label. Na 1995 heeft de vermelding extraparlementair geen betekenis meer, aangezien ministers verplicht zijn zich te laten vervangen in het parlement. Vanaf 1995 vermelden wij de partij van de ministers, ongeacht de vaststelling of zij gekozen waren en zich dienden te laten vervangen of niet.

Tot 1968 waren alle regeringspartijen Belgische partijen, bij de Nederlandstaligen bekend onder hun Nederlandse naam en bij de Franstaligen onder hun Franse naam. Na 1968 vielen achtereenvolgens de christendemocraten, de liberalen en de socialisten uiteen in telkens een Nederlandstalige en een Franstalige partij, maar met behoud van dezelfde naam. Om verwarring te vermijden, vermelden wij voor de unitaire periode van de partijen na de Tweede Wereldoorlog de dubbele Nederlandstalig-Franstalige benaming (dus: CVP-PSC tot 1968, PVV-PLP tot 1972, BSP-PSB tot 1978).

Begin en einde van een regering of een ministerieel mandaat

Ministers worden benoemd bij koninklijk besluit, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Als datum voor het aantreden van een regering of het begin van een ministerieel mandaat geldt de datum van de desbetreffende koninklijke besluiten, tenzij deze besluiten uitdrukkelijk in een andere datum van inwerkingtreding voorzien. Een minister treedt echter maar in functie nadat hij of zij de eed heeft afgelegd in de handen van de koning (in theorie kan hij of zij de benoeming immers weigeren). Meestal vallen de ondertekening van het benoemingsbesluit en de eedaflegging op dezelfde dag, maar er zijn uitzonderingen. Een recent voorbeeld is de regering-Di Rupo: de leden van de regering werden benoemd op 5 december 2011, maar legden pas ’s anderendaags de eed af. Vicepremier Alexander De Croo werd benoemd op 18 oktober 2012, maar legde de eed pas af op 22 oktober. In de praktijk heeft het verschil in datum weinig betekenis, tenzij voor de regering van Londen waar de eedaflegging soms lang op zich laat wachten. Daarom hanteren we de datum van (de inwerkingtreding van) het benoemingsbesluit als het begin van het ministerieel mandaat.

Het einde van een regering is in de loop der jaren ingewikkelder geworden. Wanneer de regering collectief ontslag indient, kan de koning dit ontslag in beraad houden, aanvaarden of weigeren. Als het ontslag wordt aanvaard, wordt de regering gevraagd de lopende zaken te behartigen tot de volgende regering is gevormd. Het ontslag van de aftredende regering wordt pas definitief op het ogenblik dat de nieuwe regering wordt benoemd. De koninklijke besluiten van ontslag hebben dezelfde datum als de besluiten van benoeming. Sinds de jaren tachtig is de periode van lopende zaken steeds langer geworden.

Inzake ontslag zijn er dus drie betekenisvolle data: de datum waarop de regering haar ontslag bij de koning indient, de datum waarop de koning dat ontslag informeel aanvaardt met het verzoek de lopende zaken af te handelen (formeel blijft de ontslagnemende regering dus in functie), en de datum waarop er, desgevallend na een al of niet lange periode van lopende zaken, formeel en definitief een einde komt aan de regering. Alleen op de laatste datum wordt een koninklijk besluit genomen, en die datum is de datum van het ontslag in de databank.

De datum wordt als volgt aangeduid: JJJJ-MM-DD.

Referentie: P. Aspeslagh, F. Verleden, N. Matheve, C. Heyneman, E. Gerard, Belelite. Databank van de Belgische regeringen sinds 1831, www.kcgeschiedenis.be/belelite.